Dit is de pagina met een stukje geschiedenis van Brandweer Amerongen uit: "Amerongen in vertellingen"

1. De brandbestrijding vroeger
Drie eeuwen geleden was het in de meeste gevallen nog onmogelijk een uitslaande brand met succes te bestrijden.
In die dagen bestond het blussen uit het vormen van een keten van helpers, waarbij de emmers water werden
doorgegeven naar de brandhaard, terwijl de lege emmers via een tweede keten werden teruggevoerd naar de waterputten
om weer te worden gevuld.Hoewel het woord brandpreventie omstreeks 1700 onbekend was, vaardigdede plaatselijke
overheid toch reeds een verordening uit, die erop was gerichtbrand te voorkomen. De ervaring had geleerd dat vaak
brand ontstond door te roken tijdens het werk en dus werd dat verboden. In 1706 werd een verbod ingesteld om een
open vuur aan te leggen in houten huizen, tenzij er een stenen schoorsteen was gemetseld. Algemeen is bekend dat
Jan van der Heijden de brandspuit heeft uitgevonden; hij was een Nederlands schilder,die leefde van 1637 tot 1712.
De eerste brandspuit bestond uit een pomp, voorzien van een windketel, die met de hand moest worden bediend en die
werd geplaatst in een bak met water. Het water werd via slangen aangezogen uit een waterloop en eveneens via slangen
naar de brandhaard geperst. De pomp was op een wagentje gemonteerd en werd door mensenkracht in beweging gehouden en
voortbewogen. In 1736 werd door de Amerongse overheid met medewerking van de inwoners geld bijeengebracht voor de
aankoop van een brandspuit. Al dadelijk bleken bij voorkomende branden de ongeoefendheid van de brandgasten en het
gebrek aan een goede organisatie, die een belemmering waren voor een effectieve bestrijding. Zich bewust van haar
verantwoordelijkheid bepaalde de overheid dat iets moest worden gedaan aan deze problemen en vanaf 1798 moesten de
manschappen met de brandspuit oefenen onder het toeziend oog van twee raadsleden. Desondanks bleek de spuit dikwijls
onbruikbaar en daarom werden twee kleine spuiten aangeschaft, maar de oude spuit werd eerst in 1852 vervangen. In die
tijd werd het bluswater betrokken uit de openbare dorpsputten. In het boek van de hand van de heer E.J. Demoed, "In
een lieflijk landschap", lezen we dat er in 1685 reeds zeven putten in Amerongen waren, namelijk een in het Santfoort,
twee in de Overstraat, een in de Donkersteeg, een in de Nederstraat, en in de Achterweg en een op het Hof.
In het begin van deze eeuw werden deze putten langzamerhand vervangen door pompen, totdat Amerongen in 1930 werd
aangesloten op de waterleiding. De organisatie van de brandweer onderging in 1881 een belangrijke verbetering, toen
voldoende manschappen werden aangesteld onder leiding van twee brandmeesters. In de raadsvergadering van 31 juli 1906
werd een verordening vastgesteld voor een brandweerplicht. Deze bevatte een aantalpreventieve maatregelen, zoals het
verplichte jaarlijks vegen van de schoorstenen en het plaatsen van een tobbe of emmer met water voor het woonhuis in
geval van brand in de onmiddellijke omgeving. Maar de voornaamste bepaling hield in dat het gemeentebestuur was
gemachtigd de Amerongers op te roepen om medewerking te verlenen bij de bestrijding van een brand.
Tot de brandspuitdienst werden door burgemeester en wethouders mannelijke ingezetenen tussen drieëntwintig en
negenenvijftig jaar benoemd en aangewezen. Bij gelegenheid van zijn veertigjarig jubileum als lid van de
vrijwillige brandweer te Amerongen, schreef de heer T. Eijffius een zeer uitvoerig verslag, waarbij hij onder meer
opmerkt: "De bewuste verordening werd in de loop der tijd wel iets gewijzigd, maar werd tot dusver niet opgeheven.
In feite zouden de Amerongers, die hiervoor in de termen vallen, dus ook nu nog kunnen worden opgeroepen, ware het niet,
dat de Vrijwillige Brandweer deze taak heeft overgenomen. "


De vrijwillige brandweer in 1964. Op de voorgrond zit Ries Berkhof Op de eerste rij, van
links naar rechts, de heren: Albertus van Lienden (commandant), Frans van Mourik, Piet
Burgstede, Th. Schouten, WA. v.d. Boogert, G. Merkestijn, Arie Berkhof, Jan Merke­
stijn, burgemeester jonkheer mr. O.R. van den Bosch, Jan van den Berg en T. Eijffius
(oud-commandant). Op de achterste rij, van links naar rechts, de heren: Jan de Haas,
Jan van Mourik, Mees van de Grift en HJ. van Ootmarsum.


2. Het ontstaan van de vrijwillige brandweer
De aansluiting van Amerongen op de waterleiding heeft geleid tot de oprichting van de vrijwillige brandweer en tot
een doelmatiger organisatievorm. Burgemeester jonkheer H. van den Bosch heeft de plannen daartoe ge. stimuleerd en
daadwerkelijk bijgedragen tot de realisatie. Onder zijn leiding werd op 31 maart 1931 een vergadering belegd in hotel
Lievendael met het doel de plichtbrandweer te vervangen door een brandweer op vrijwillige basis. Voorts waren van het
gemeentebestuur aanwezig: wethouder G.J.P. Versteegh, gemeentesecretaris G.A. Vermeulen en het raadslid J. van Os.
Als deskundige was uitgenodigd de heer D.J.LA. de Leur, voorzitter van de Provinciale Utrechtse Brandweerbond. Na de
uiteenzettingen waren velen overtuigd van het nut van een vrijwillige brandweer en een aantal Amerongers meldde zich
spontaan aan als lid. Dit waren de heren K. van den Berg, D. Boelhouder, W.A. van de Boogert, H. Bos Azn., P. Bos Azn.,
A. ten Broek, T. Eijffius, J.H.H. Görtemöller, Th.W. den Hartog, T. Jansen, H.W.G. van Lienden, J. Meinesz, D. van Merkestijn,
P. van Manen, J. van Os, T.H. Schouten, J. Segers, A. van Veenendaal, B.A.J. Versteegh sr., RAJ. Versteegh jr., H. Wams,
B. Weijman en A.J. van Westrhenen. Weliswaar bedankten enkelen na enige tijd, maar er kwamen ook nieuwe leden bij.
De statuten van de nieuwe vereniging werden vastgesteld in de vergadering van 6 augustus 1931. Bij die gelegenheid werden
benoemd: RAJ. Versteegh sr. tot commandant, A. ten Broek tot ondercommandant, A.J. van Westrhenen tot eerste brandmeester,
T. Eijffius tot tweede brandmeester, H. Bos Azn. tot magazijnmeester en W.A. van de Boogert tot bestuurslid. Het eerste
materiaal dat door de gemeente voor de vrijwillige brandweer werd aangekocht bestond uit: twee haspelwagentjes met slangen,
standpijpen, wringijzer, twee oliepakken en twee zuidwesters. Het ligt voor de hand dat een brandweer, die paraat wil zijn,
intensief en regelmatig moet oefenen. Daarmee werd dan ook onmiddellijk een begin gemaakt; de oefeningen vonden plaats in
de gang van de lagere school onder leiding van brandweercomman­dant H. van de Boom uit Doorn en brandmeester Brands uit De Bilt.
De vrijwillige brandweer meldde zich aan als lid van de Provinciale Utrechtse Brandweerbond, welke bond onder meer het
gemeentebestuur adviseerde bij de aanschaf van brandweermateriaal. In de wintermaanden verzorgde de bond ook lezingen met
betrekking tot een doeltreffende brand bestrijding. In die beginperiode deed zich vooral het gebrek aan goed materiaal voelen.
Het moet worden vermeld dat de toenmalige burgemeester jonkheer H. van den Bosch, als hoofd van de Amerongse brandweer, de
dringende verzoeken om beter materiaal met klem ondersteunde, maar de meerderheid van de raad uit die dagen was niet
doordrongen van de noodzakelijkheid ervan, zodat herhaaldelijk afwijzen' op dergelijke verzoeken werd gereageerd. Het spreekt
welhaast vanzélf dat onder die omstandigheden bijvoorbeeld de aankoop van uniformen als een luxe werd beschouwd, die men zich
niet kon veroorloven. Dit feit leidde in 1934 tot een komische situatie, toen bij gelegenheid van het afscheid van de Commissaris
der Koningin, dr. H.Th.'s Jacob, alle brandweerkorpsen uit de provincie een uitnodiging ontvingen om deel te nemen aan de
brandweershow op 4 maart 1934 te Utrecht. Hoewel alle korpsen in uniform zouden verschijnen, besloot de vrijwillige brandweer
in Amerongen toch "acte de présence'" te geven en dus togen vijf leden, te weten de heren RAJ. Versteegh, A. ten Broek, H. Bos,
W.A. van de Boogert en T. Eijffius, gekleed in jacquet en voorzien van hoge hoed naar Utrecht. In de show werden ze voorafgegaan
door een padvinder, die een bord droeg met vermelding: Amerongen. Een straatjongen riep bij het zien van de vijf heren in
officiële kleding enthousiast: "He, joh, kom hier lopen, hier is het officiële gedeelte". In 1935 werden helmen aangeschaft en
in 1937 rubberlaarzen. Tot die tijd kwam de een naar een brand op klompen en de ander op schoenen of laarzen. Als lid van de,
Utrechtse Bosbrandvereniging behoorde het ook tot de taak van de Amerongse vrijwillige brandweer alle voorkomende bos-
en heidebranden te helpen blussen. Op 7 januari 1938 kwam de brandweertoren op de Amerongse Berg gereed en daar werd op
brandgevaarlijke zomerdagen de wacht betrokken. Als vergoeding ontving degene die de wacht had voor een wacht van drie uur op
zaterdag vijfenzeventig cent en op zondag één gulden. In 1938 werd een begin ge­maakt met oefeningen in samenwerking met de toen
opgerichte luchtbeschermingsdienst. Als gevolg van de gewijzigde omstandigheden werd het wat gemakkelijker het materiaal uit te
breiden. Op 21 oktober van datzelfde jaar werd in café "Buitenlust" een onderafdeling van de Amerongse brandweer opgericht
voor het buurtschap Overberg. Naarmate de vrijwillige brandweer te Amerongen na de oorlog steeds meer werd gemotoriseerd en de
beschikking kreeg over een nevelspuit, werd de onderafdeling steeds minder noodzakelijk, vooral ook omdat het Kamp Overberg de
beschikking had over een eigen brandweer. Op last van de inspecteur van het Brandweerwezen werd de afdeling Overberg op 16
apri1 1959 opgeheven.



3. Brandalarm
Het brandbelletje dat in het torentje op het oude gemeentehuis hing bleek al dadelijk in 1931 onvoldoende. Daarom richtte de
vrijwillige brandweer op 27 mei 1932 een verzoek tot de gemeenteraad, waarbij werd aangedrongen op de aanschaf van een
brandsirene.Dat verzoek werd afgewezen, maar op 6 januari 1933 werd het herhaald onder mededeling dat de brandweer bereid was
een bedrag van honderd gulden uit eigen kas bij te dragen. Maar ook deze nieuwe poging bleef zonder het gewenste resultaat.
Ten slotte steunden vele dorpsbewoners met een gift, waardoor de aankoop van de sirene toch kon worden gerealiseerd. Het
gemeentebestuur verleende vergunning om de sirene in het torentje van het gemeentehuis aan te brengen, al onderstreepte wethouder
G.P.J. Versteegh met nadruk dat het oude brandweerbelletje nietmocht worden verwijderd. De eerste brand waarbij de pas
opgerichte brandweer in actie kwam vond plaats in september 1931 bij gebroeders Van de Grift in de Donkerstraat. Helaas
beschikte men over onvoldoende materiaal, terwijl de manschappen nog te weinig ervaring bleken te hebben. Daarom werd de
hulp ingeroepen van de vrijwillige brandweer uit Rhenen, die de brand wist te blussen. Maar na verloop van tijd waren de
Amerongers zelf in staat een brand met succes te bestrijden, zoals in café Heijkamp in de Nederstraat en bij de familie Altena
aan de Tol. Over deze laatstgenoemde brand vertelde de heer T. Eijffius: "Die brand bij Altena was in 1933 of 1934. De
brandweercentrale was toen nog op het Hof, naast het oude gemeentehuis, gevestigd. We hadden in die dagen twee handwagentjes
met slangen, die dus moesten worden getrokken. Het was ontzettend koud en het vroor dat het kraakte. We kwamen bij de brand
en de meesten van ons hadden rubberlaarzen aan, maar Klaas van den Berg kwam aanlopen op de klompen. "Jullie zijn gek", zei hij,
"met die rubberlaarzen krijg je ijskoude voeten". We gingen spuiten... Even later kwam Klaas naar me toe en zei: "Da's me ook
wat, nou heb ik een gat in mijn klomp." Ja, wat hebben we gelachen... Het water bevroor onmiddellijk en er was zoveel ijs op de
rails dat de tram er niet meer door kon". Het is jammer dat zo weinig gegevens zijn vastgelegd over de branden in de jaren 1931
tot 1941. Maar daarna werd het brandweerdossier goed bijgehouden. Het vermeldt van 1941 tot 1967 drieëntachtig grote en kleine
branden, eenenzeventig bos- en heidebranden, zesenveertig schoorsteenbranden, terwijl er zeventien hooibergbranden werden
genoteerd. In dit verband verdient nog een gebeurtenis speciale aandacht. In het voorjaar van 1942 onderstreepte de brandweer
nog eens de noodzakelijkheid van de aanschaf van een auto. Op 20 oktober 1942 deelde burgemeester jonkheer H. van den Bosch
mede dat de raad tot aankoop had besloten. Er kwam een knalrode Chevrolet, die volgens de wensen van de brandweer tot
brandweerauto werd omgebouwd. Op 1 december 1942 brak brand uit in een bergschuur op de Hul. Snel werd uitgerukt met de
auto, die als slangenwagen dienst deed, maar plotseling weigerde de motor in de Molenstraat. Onder veel hilariteit van de
toeschouwers werd de auto met vereende krachten naar de brand geduwd. In zo'n situatie zingen de bewoners in het Land van
Maas en Waal: "Anderhalf uur laoter, gaf de spuut pas waoter." Maar dat was hier niet het geval, want tien minuten na het
alarm was de brandweer al aan het blussen. Het is uiteraard onmogelijk om op deze site alle wederwaardigheden van de vrijwillige
brandweer te schetsen. Maar het is zeker juist hier vast te stellen dat de leden van deze vereniging in de loop der jaren hebben
bewezen als goede burgers hun taak te verstaan. In de aanvang vaak onder moeilijke omstandigheden met onvoldoende blusmateriaal.
Gelukkig is dat laatste probleem in deze tijd opgelost.

Inmiddels ook geschiedenis:

de pager die wij tot 15 juli 2006 in gebruik hadden:

de Motorola BMD: Klik hier om te horen wat voor een geluid hij maakte!